Steun voor energie-intensieve industrie: goed voor concurrentie, minder voor klimaat
Europese overheden willen energie-intensieve bedrijven ondersteunen, zodat ze concurrerend blijven én klimaatdoelen kunnen halen. Nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat zien dat veel vormen van steun de positie van bedrijven versterken, maar tegelijkertijd de CO2-uitstoot in Nederland en Europa vaak verhogen – ondanks het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS).
Nederlandse beleidsmakers worden opgeroepen om beleid uit te werken dat energie-intensieve bedrijven concurrerend houdt, terwijl het land tegelijkertijd toewerkt naar klimaatneutraliteit in 2050.
Volgens het onderzoek van het CPB en PBL verlaagt alleen directe steun voor CO2-reductietechnologieën de uitstoot, al helpt dat bedrijven minder in de concurrentiestrijd. Andere steunmaatregelen stimuleren de productie van bedrijven, maar zorgen wel voor een hogere Europese CO2-uitstoot. Toch kan de wereldwijde uitstoot dalen, omdat relatief schone Europese productie vaak vervuilendere productie buiten Europa kan vervangen.
Vier vormen van steun onder de loep
Het onderzoek vergelijkt vier mogelijke steunmaatregelen:
- Productiesubsidies
- Lagere energiebelastingen
- Verlaging van elektriciteitskosten
- Subsidies voor CO2-reductietechnologieën
Daarbij is gekeken wat er gebeurt als Nederland, Duitsland en Frankrijk vijf jaar lang gezamenlijk steun bieden aan hun energie-intensieve industrie. Met een economisch model is berekend wat dit betekent voor de concurrentiepositie en uitstoot in deze landen, in de rest van Europa en wereldwijd.
Het onderzoek houdt rekening met het huidige EU ETS en de marktstabiliteitsreserve (MSR). Hierdoor is het Europese emissieplafond flexibel: veranderingen in uitstoot vanwege nationaal (klimaat)beleid vertalen zich daadwerkelijk in hogere of lagere totale uitstoot binnen de EU.
Concurrentiepositie verbeteren
De Europese industrie staat onder druk door de hoge energiekosten in vergelijking met de VS en China. Ook de overproductie in China speelt een rol. De goedkopere import uit China dreigt de relatief dure Europese productie te verdringen.
Maatregelen die de productiekosten direct verlagen, zoals productiesubsidies, lagere elektriciteitskosten of lagere energiekosten, versterken de concurrentiepositie van bedrijven en stimuleren productie, stellen het CPB en PBL. Subsidies voor schone technologieën (bijvoorbeeld via de SDE++) hebben daarentegen weinig effect op de concurrentiepositie.
Invloed op de uitstoot
Subsidies voor schone technologieën verlagen de uitstoot doordat via het MSR emissierechten uit de markt worden gehaald. Andere steunmaatregelen gericht op het verlagen van kosten hebben juist het tegenovergestelde effect: ze verhogen de uitstoot en het aantal emissierechten. Vooral verlaging van energiekosten heeft een groot effect, omdat hierdoor ook fossiele brandstoffen goedkoper worden.
Het verlagen van elektriciteitskosten maakt industriële productie schoner, maar verhoogt de uitstoot bij elektriciteitsproductie, wat leidt tot een netto toename van emissierechten. De toename van emissierechten is het minst bij een algemene verlaging van productiekosten. Doordat schonere Europese productie vervuilendere productie elders in de wereld kan vervangen, kan de wereldwijde uitstoot wel dalen.
Praktische uitvoering
Volgens de onderzoekers zijn productiesubsidies moeilijk te implementeren vanwege Europese staatssteunregels. Lagere elektriciteitskosten zijn eenvoudiger door te voeren. Subsidies voor schone technologieën kunnen een goede aanvulling zijn. Ze helpen klimaatdoelen te behalen en kunnen gecombineerd worden met steun die de concurrentiepositie verbetert.
Het onderzoek laat zien dat er een afweging nodig is. Maatregelen die bedrijven financieel helpen, kunnen de uitstoot verhogen, terwijl klimaatgerichte subsidies de concurrentiepositie minder versterken.