Aantal zelfstandigen afgenomen, meer flexwerkers
Het aantal flexwerkers in Nederland ligt al drie kwartalen hoger dan een jaar eerder. Ook hebben steeds meer werknemers een vast dienstverband. Ondertussen neemt het aantal zelfstandigen af. Wat betekent deze verschuiving in het werkveld?
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) blijkt dat er in het eerste kwartaal van 2026 vooral meer tijdelijke oproep- en invalkrachten werkten. Hierbij wordt vermeld dat deze krachten geen uitzicht hebben op een vast dienstverband.
In 2024 en in de eerste helft van 2025 daalde het aantal flexwerkers juist ieder kwartaal ten opzichte van een jaar eerder. Aan deze trend is nu al drie kwartalen een einde gekomen.
Het aantal flexwerkers tussen de leeftijd van 15 en 75 jaar oud is gestegen met 63 duizend werknemers. In totaal werkten in het eerste kwartaal van dit jaar 2,7 miljoen Nederlanders als flexwerker.
Let op: nulurencontract verdwijnt
Dat het aantal oproepkrachten toeneemt, is een opvallende ontwikkeling. De regels rondom oproepkrachten gaan namelijk op de schop. Heb je werknemers met een nulurencontract in dienst? Dan moet je de komende jaren mogelijk rekening houden met nieuwe regels.
Naar verwachting verdwijnen nulurencontracten vanaf 1 januari 2027 voor de meeste oproepkrachten. In plaats daarvan komt er een bandbreedtecontract. Werkgevers moeten oproepkrachten dan een vast basiscontract geven voor de uren dat ze standaard minimaal worden ingeroosterd. Het maximumaantal uren mag maximaal 130 procent van het minimum zijn. Bij een minimum van 10 uur mag de oproepkracht dan 13 uur ingeroosterd worden. Oproepkrachten weten zo beter waar ze aan toe zijn.
Zoals de afspraken nu op tafel liggen, mogen jongeren, studenten en AOW-gerechtigden dan nog wel op basis van een nulurencontract werken.
Ook voor draaideurconstructies en uitzendkrachten veranderen de regels volgend jaar. In deze blog lees je hier meer over.
Meer werknemers met vast dienstverband
Niet alleen het aantal flexwerkers stijgt, blijkt uit de cijfers van het CBS. Ook het aantal werknemers met een vaste arbeidsrelatie groeit, namelijk met 60 duizend. Hoewel er sprake is van een stijging ten opzichte van vorig jaar, is deze stijging wel kleiner dan die in eerdere kwartalen was.
Tegelijkertijd daalde het aantal werknemers met een tijdelijke arbeidsrelatie met uitzicht op een vast dienstverband.
Steeds minder zelfstandigen
In dezelfde periode slinkte het aantal zelfstandig ondernemers, volgens het CBS. In het eerste kwartaal van 2026 werkten bijna 1,5 miljoen Nederlanders als zelfstandige. Dit is 88 duizend minder dan in het eerste kwartaal van 2025. Vooral het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) daalde, inmiddels alweer voor het vijfde kwartaal op rij.
In april meldde de Kamer van Koophandel (KvK) nog dat het aantal startende ondernemers na meerdere kwartalen van daling in het eerste kwartaal van 2026 juist is toegenomen. Onder hen is de eenmanszaak favoriet. De branches zakelijke diensten, handel en bouwnijverheid trokken de meeste starters aan, terwijl in de sectoren gezondheid en welzijn en de kunst, cultuur, sport en recreatie het aantal juist daalde.
Dat het aantal zelfstandigen daalt – in specifieke sectoren of al dan niet in het algemeen – wordt veelal verklaard door de regelgeving rondom schijnzelfstandigheid. Om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, gaan de regels op de schop. Er moet meer duidelijkheid komen voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. En als het aan minister Aartsen ligt, wordt de nieuwe Zelfstandigenwet al in 2028 ingevoerd.