Raad van State is kritisch over wetsvoorstel voor personeelsbehoud bij crisis
De Raad van State is kritisch over de term ‘levensvatbare’ bedrijven, die in het wetsvoorstel voor personeelsbehoud bij crisis wordt gebruikt. Deze wet moet bedrijven ondersteunen in tijden van crisis. Maar het is onvoldoende duidelijk wie voor de regeling in aanmerking kan komen en wie dit bepaalt, stelt de adviseur.
Voor kortdurende noodsituaties bij individuele bedrijven is er al een regeling voor werktijdverkorting. De coronacrisis maakte echter voor het toenmalige kabinet duidelijk dat er een permanente oplossing moet komen voor bedrijven die door crises getroffen worden. Daarom wordt er gewerkt aan een nieuwe regeling.
Het wetsvoorstel voor personeelsbehoud bij crisis moet ervoor zorgen dat levensvatbare bedrijven in geval van nood overeind blijven staan. Volgens de Raad van State, de belangrijkste adviseur op gebied van wetgeving van het kabinet en het parlement, is het wetsvoorstel echter niet duidelijk genoeg over welke bedrijven als levensvatbaar aangemerkt moeten worden en wie dat gaat bepalen. Ook betwijfelt de Raad of de wet gaat helpen bij een grootschalige crisis.
Herplaatsing, verminderde loondoorbetaling en loonsubsidie
In het wetsvoorstel worden instrumenten uitgewerkt waarvan bedrijven in een crisissituatie, waarin er over een periode van 2 maanden gemiddeld minstens 20% minder werk is, voor maximaal 6 maanden gebruik moeten kunnen maken. Voorbeelden van instrumenten zijn herplaatsing, verminderde loondoorbetaling en loonsubsidie.
Herplaatsing houdt in dit geval in dat een bedrijf tijdelijk eenzijdig de werkzaamheden van de werknemers mag wijzigen, bijvoorbeeld door hen andere passende werkzaamheden te laten verrichten. Het wetsvoorstel stelt dat werkgevers hun personeel in dit geval voor de volledige 100% moeten doorbetalen.
Een andere optie zou zijn om werknemers 10% minder loon te betalen over de uren die zij door de crisis niet kunnen maken. Werkgevers die hiervoor kiezen, zouden daarbij een loonsubsidie moeten kunnen aanvragen bij het UWV. De subsidie moet 65% van de loonkosten over de niet-gewerkte uren dekken en de werkgever moet de overige 25% betalen.
Twijfels over effectiviteit
De Raad van State betwijfelt of de voorgestelde regeling voldoende effectief zal zijn voor toekomstige grootschalige crises. De adviseur stelt dat er verschillen zitten tussen kleinschalige en grootschalige crises. Waar de ernst, duur en periode van herstel bij kleinschalige crisis doorgaans snel in te schatten zijn, is dit bij grootschalige crises niet het geval. Het wetsvoorstel gaat volgens de Raad van State onvoldoende in op het verschil in de benodigde instrumenten en oplossingen per crisis.
Met het wetsvoorstel wordt daarnaast beoogd de wendbaarheid te vergroten van de vaste arbeidsovereenkomst, en om arbeidsrechtelijke maatregelen te nemen om dat te bereiken. De Raad van State stelt echter dat de wendbaarheid van de arbeidsmarkt niet wordt vergroot met de maatregelen, deze zouden alleen tot grotere complexiteit leiden.
Wel staat de Raad van State achter het verzoek om de bestaande regeling werktijdverkorting in de wet vast te leggen, ‘zij het in enigszins gewijzigde vorm’. Deze regeling ondersteunt werkgevers die getroffen worden door kleinschalige crises en vergroot de rechtszekerheid voor werkgevers en werknemers.